Аrias
Duo's...
Opera's
Cantates
Componisten
Switch to English

Richard Strauss

Opera's:

ArabellaAriadne auf NaxosCapriccioDaphneDer RosenkavalierDie ägyptische HelenaDie Frau ohne SchattenDie Liebe der DanaeDie schweigsame FrauElektraFeuersnotFriedenstagGuntramIntermezzoSalomé

Аrias:

Allein! Weh, ganz allein!. Elektra. ElektraEs gibt ein Reich. The Prima Donna/ Ariadne. Ariadne auf NaxosGroßmächtige Prinzessin…So war es mit Pagliazzo. Zerbinetta. Ariadne auf NaxosIch habe keine gute Nächte. Klytemnästra. ElektraIch hab's wie Feuer in der Brust. Chrysothemis. ElektraLieben, Hassen, Hoffen, Zagen. Harlequin. Ariadne auf NaxosOrest! Orest! Orest!. Chrysothemis. ElektraSein wir wieder gut. The Composer. Ariadne auf NaxosWie stark du bist!. Elektra. Elektra
Wikipedia
Richard Georg Strauss (München, 11 juni 1864 — Garmisch-Partenkirchen, 8 september 1949) was een Duitse componist en dirigent. Hij is niet verwant met Johann Strauss en diens familie uit Wenen.
Het Richard-Strauss-Institut beheert sinds 1999 een archief en museum over hem in Garmisch-Partenkirchen.
Strauss was de zoon van de hoornvirtuoos van de Königlich Bayerische Hofkapelle Franz Joseph Strauss. Eerste lessen kreeg hij voor viool bij Benno Walter, voor piano bij Carl Niest en voor muziektheorie bij hofkapelmeester Friedrich Wilhelm Meyer. Richard ontpopte zich al vroeg als een muzikaal talent. In 1876 schreef hij zijn Festmarsch, op. 1, die samen met twee andere werken in 1881 gepubliceerd werd.
Vanaf 1882 studeerde hij aan de universiteit Filosofie en Kunstgeschiedenis.
Na zijn debuut als dirigent aan het theater in Meiningen in 1884 werd hij op advies van de dirigent Hans von Bülow voor het seizoen 1885-1886 in München 2e kapelmeester naast Von Bülow zelf. Na een tussenengagement in 1886 als 3e kapelmeester aan het hoftheater in München, talrijke concertreizen en een assistentschap in 1889 bij de «Parsifal»-uitvoeringen tijdens de Bayreuther Festspiele, werd hij in 1889 groothertogelijk hofkapelmeester te Weimar.
Zijn eerste werken waren zogenaamde symfonische gedichten. Deze zijn te omschrijven als programmamuziek waarin een verhaal ('gedicht') te horen is. Sommige van de symfonische gedichten van Strauss waren op bestaande gedichten of andere literaire werken gebaseerd. Een van de eerste symfonische gedichten van Strauss was het vierdelige Aus Italien (1886). Daarna volgden Macbeth (1886-1888), Don Juan (eveneens 1888), Tod und Verklärung (1889-1890), Till Eulenspiegel (1895), Also sprach Zarathustra (1896), Don Quichote (1897), Ein Heldenleben (1897-1898).
Strauss legde zich vanaf 1893 tevens toe op het componeren van opera's. Zijn eerste opera's, Guntram (1893) en Feuersnot (1901), waren niet erg succesvol. De doorbraak kwam in 1905 met Salomé, op de letterlijk uit het Frans in het Duits vertaalde tekst van het toneelstuk van Oscar Wilde, dat handelt over de onthoofding van Johannes de Doper. Het succes en de opbrengst van Salomé waren gigantisch. Strauss kocht er zijn buitenhuis in Garmisch-Partenkirchen, in de Beierse Alpen, van. In dat huis is hij tot zijn dood in 1949 met zijn vrouw, de zangeres Pauline de Ahna (met wie hij sinds 10 september 1894 getrouwd was) blijven wonen.
Na verdere concertreizen naar Moskou, Barcelona, Amsterdam, Londen en Parijs werd Strauss in 1898 voor tien jaren als 1e koninklijke hofkapelmeester in Berlijn aangesteld. In 1903 vond in Londen de eerste Richard-Strauss-week plaats. In 1908 werd hij tot algemeen muziekdirecteur van de Berlijnse hofopera benoemd.
Na Salomé componeerde Strauss wederom een opera op een bewerking van Sophokles' drama: Elektra. Dit was tevens het begin van een succesvolle samenwerking met de tekstdichter Hugo von Hofmannsthal.
Bij het componeren van zijn opera's en andere vocale muziek (liederen) ondervond hij veel steun van zijn vrouw, die een verdienstelijk sopraan was en die hem daarom nuttige stemtechnische adviezen uit de eerste hand kon geven. Strauss toonde in zijn opera's een grote voorliefde voor hoofdrollen door sopranen. In Der Rosenkavalier zijn de drie grootste rollen voor sopranen.
De tweede grote opera van Strauss en Hugo von Hofmannsthal was Der Rosenkavalier (1910), wellicht het allergrootste succes uit het leven van Strauss. De samenwerking met Hofmannsthal ging daarna verder in Ariadne auf Naxos, een opera in een opera.
In 1917 behoorde hij met Max Reinhardt en Hugo von Hoffmannsthal tot de medeoprichters van de Salzburger Festspiele.
Het laatste grote werk van de twee was Die Frau ohne Schatten. Na de voltooiing hiervan overleed Von Hofmannsthal. Strauss moest op zoek naar andere librettisten, maar een hechte samenwerking als met Von Hoffmansthal kwam niet meer tot stand.
Van 1919 tot 1924 was hij samen met Franz Schalk co-directeur aan de indertijd zojuist hernoemde Weense Staatsopera, gemarkeerd door de première van Die Frau ohne Schatten, door Strauss terecht zijn "laatste Romantische opera" genoemd (geschreven voor de oorlog, uitgevoerd erna). De lauwe ontvangst van dit werk in 1919 is waarschijnlijk dan ook te wijten aan alle gevolgen van het verlies van de Eerste Wereldoorlog in de samenleving.
Strauss’ werkdag begon in de ochtend om negen uur. Hij nam plaats achter zijn bureau en ging met componeren verder precies op het punt waar hij de dag daarvoor was gestopt. Hij schreef in eerste instantie alles op met potlood. Vervolgens de pianopartituur in inkt. Hij werkte zo aan een stuk door tot en met het middaguur, zo’n uur of twaalf of een. ’s Middags ging hij wat skaat spelen en schreef een paar pagina’s in partituur. ’s Avonds dirigeerde hij –elke avond- in de concertzaal. Nervositeit kende hij niet, hij was altijd ontspannen en was de hele dag –zowel in de ochtend als in de avond- volledig helder van geest. Als zijn bediende hem zijn rok overhandigde voor het concert, stond hij op van het werk, reed naar de concertzaal en dirigeerde met dezelfde zekerheid en rust waarmee hij ’s middags skaat had gespeeld. De volgende dag was exact een kopie van de vorige.
Over zijn contacten met de nazipartij schrijft Stefan Zweig in zijn boek De Wereld van gisteren het volgende:...”Strauss hield begin jaren dertig contacten met de machthebbers en ontmoette vaak Hitler, Göring en Goebbels en liet zich in een tijd waarin zelfs Wilhelm Furtwängler zich nog openlijk verzette tot voorzitter van de nazistische Reichsmusikkammer benoemen. Die openlijke steun van zijn kant was op dat ogenblik buitengewoon belangrijk voor de nazi’s. Want tot hun grote ergernis hadden niet alleen de beste schrijvers, maar ook de belangrijkste componisten hun openlijk de rug toegekeerd, en de weinigen die met hun heulden of overliepen, waren wijd en zijd onbekend. Dat ze op zo’n pijnlijk ogenblik de beroemdste componist van Duitsland openlijk aan hun kant kregen, was voor Goebbels en Hitler in puur propagandistische zin een enorme winst....”
Hitler was een hartstochtelijk liefhebber van de muziek van Strauss. Op feestavonden in Berchtesgaden werden naast Wagner bijna alleen liederen van Strauss uitgevoerd.
...”Maar voor Strauss had zijn medewerking aan het regime aanzienlijk duidelijker bedoelingen. Voor zijn kunstegoïsme, dat hij altijd koel en openlijk toegaf, was elk regime hem even onverschillig. Hij had de Duitse keizer gediend als dirigent en militaire marsen voor hem georkestreerd, vervolgens de Oostenrijkse keizer als hofdirigent te Wenen, maar hij was ook in de Oostenrijkse en Duitse republiek persona gratissima geweest. Zich tegenover de nationaalsocialisten behulpzaam op te stellen was bovendien voor hem van vitaal belang, omdat hij in nationaalsocialistische zin een geweldige schuld op zijn conto had. Zijn zoon was namelijk met een jodin getrouwd, en hij vreesde dat zijn (half-joodse) kleinkinderen, van wie hij buitengewoon veel hield, als uitschot van school verwijderd zouden worden; zijn nieuwe opera, Die schweigsame Frau, was belast door mij, zijn vroegere opera’s door de niet-‘rein-arische’ Hugo von Hofmannsthal en zijn uitgever was een jood. Hij dirigeerde waar de nieuwe heren het maar vroegen, hij componeerde de muziek voor de olympische hymne en schreef mij tegelijkertijd in een griezelig vrijmoedige brief hoe weinig enthousiast hij over deze opdracht was...”
Uiteindelijk konden de nazi’s er niet onderuit om naast de naam van Strauss, de naam van de jood Stefan Zweig op het affiche van de Schweigsame Frau te plaatsen. Het was een eis van Strauss.
De Gestapo onderschepte een brief van Strauss aan Stefan Zweig waarin hij om een libretto voor een nieuwe opera vroeg. De brief werd voorgelegd aan Strauss, die daarop meteen zijn ontslag moest indienen als president van de Kulturkammer, en de opera Schweigsame Frau werd verboden in Duitsland.
Van 1933 tot 1935 was hij president van de zogenoemde Reichsmusikkammer en in 1936 componeerde hij de Olympische Hymne, die hij zelf dirigeerde tijdens de openingsceremonie van de Spelen in Berlijn. Er volgden veel internationale verplichtingen, onder andere in 1936 bij de Royal Philharmonic Society in Londen en voor de première van zijn Japanische Festmusik in Tokio in 1940.
Tegen het einde van zijn leven componeerde hij het symfonisch gedicht Metamorphosen en de Vier letzte Lieder (1948) op gedichten van onder meer Joseph von Eichendorff en Hermann Hesse, die in 1950 door Kirsten Flagstad in Londen in première gingen.
Strauss overleed, met zijn vrouw en zoon aan zijn zijde, op 8 september 1949 in zijn huis in Garmisch-Partenkirchen. Dit huis bestaat tot op de dag van vandaag en behoort toe aan zijn nakomelingen. Het is niet voor het publiek toegankelijk.
Strauss trad als dirigent minstens eenmaal in Nederland op. In Nederland was Willem Mengelberg een trouw pleitbezorger van zijn werken. Ein Heldenleben is zelfs aan Mengelberg en het Concertgebouworkest opgedragen.
Strauss geldt met zijn orkestwerken als muzikale erfgenaam van Hector Berlioz en Franz Liszt en met zijn opera's als erfgenaam van Richard Wagner. Hij bezat een grote kennis van het orkest en een opmerkelijk talent om buitenmuzikale zaken in muziek om te zetten. Zelf stelde hij dat hij in staat was "Ein Bierglas tönend zu malen". Strauss bewerkte Berlioz' instrumentatieleer. Tot 1909 werd hij als avantgardist gevierd. Later werd hem verweten dat hij tot de traditionele tonale structuren was teruggekeerd, maar hij kreeg daardoor al tijdens zijn leven de status van klassieker. Door de wijze van instrumentatie en de polyfonie wordt zijn werk beschouwd als een hoogtepunt in de muziek van de late romantiek.
De Burleske werd eerst Scherzo genoemd en kreeg geen opusnummer. Dirigent Hans von Bülow had het stuk voor onspeelbaar verklaard. Strauss vond dat onzin. Toen hij de partituur in 1890 aan zijn vriend Eugen d'Albert liet zien, een van de grootste pianisten uit die tijd en leerling van Franz Liszt, stond deze erop om het werk uit te voeren. Het is een vrolijk, bijzonder afwisselend muziekstuk, dat ongeveer 17 minuten duurt.
Haendel · Lulli · Scarlatti · Mozart · Cherubini · Weber · Berlioz · Chopin · Liszt · Wagner · Gounod · Reincken · Schuijt · Obrecht · Sweelinck · Orl. Lassus · Clemens n.P. · Wanning · Brahms · Rubinstein · Niels Gade · Verhulst · Schumann · Mendelssohn · Schubert · Spohr · v. Beethoven · Haydn · Bach · Strawinsky · Pijper · Ravel · Reger · Wagenaar · Tschaikovsky · Zweers · Bruckner · Mahler · Franck · Diepenbrock · Debussy · Dopper · Rich. Strauss · Röntgen · Bartók · Dvořák