Аrias
Duo's...
Opera's
Cantates
Componisten
Switch to English

Aria: Wohl denn! gefasst ist der Entschluss

Componist: Nicolai Otto

Opera: The Merry Wives of Windsor

Rol: Anna (Sopraan)

Download gratis partituren: "Wohl denn! gefasst ist der Entschluss" PDF
Nun eilt herbei. Fluth. The Merry Wives of Windsor. NicolaiTeneste la promessa. Violetta Valery. La traviata. VerdiAl dolce guidami castel natio. Anna Bolena. Anna Bolena. DonizettiSenza del tuo sospir. Alceste. Alceste. GluckTu che voli, già spirto beato. Fausta. Fausta. DonizettiMa dall'arido stelo divulsa. Amelia. Un ballo in maschera. VerdiAncora un passo or via. Madame Butterfly. Madama Butterfly. PucciniAh, mio cor!. Alcina. Alcina. HändelSenza mamma, o bimbo, tu sei morto!. Suor Angelica. Suor Angelica. PucciniAh, non son io che parlo, è il barbaro dolore. Fulvia. Ezio. Händel
Wikipedia
Carl Otto Ehrenfried Nicolai (Koningsbergen, thans Kaliningrad, 9 juni 1810 – Berlijn, 11 mei 1849) was een Duits componist, dirigent, organist, pianist en zanger.
De eerste muzieklessen kreeg Nicolai van zijn strenge vader, de muziekdirecteur Carl Ernst Daniel Nicolai. Zijn vader was zo streng, dat hij op 16-jarige leeftijd voor hem uit zijn geboortestad vluchtte. In 1827 ging hij naar Berlijn en werd leerling van Carl Friedrich Zelter. Die erkende zijn talent en kon een studiebeurs voor hem krijgen, waarmee Nicolai aan het Koninklijke instituut voor kerkmuziek bij Bernhard Klein van 1827 tot 1830 kon studeren. Daarnaast kreeg Nicolai zanglessen bij G. Emil Fischer aan het gymnasium "Zum grauen Kloster".
In 1830 werd Nicolai lid van de Berlijnse zangacademie. Hij had een aandeel in de herontdekking en -beleving van de muziek van Johann Sebastian Bach: in een uitvoering op 27 juni 1831 zong hij in de Matthäus Passie de Christus-partij. In hetzelfde jaar werd hij ook lid van de Jüngere Liedertafel en van de Liederverein 1829. Later in het jaar werd hij als buitengewoon lid van de Ältere Liedertafel opgenomen.
In het begin van de jaren 1830 werd Nicolai voor het eerst met eigen werk bekend. De uitvoeringen van zijn Sinfonie in c-klein (1831), de voor de inwijding van de kathedraal in Posen, nu: Poznań, geschreven Mis in D-groot (1832) en het Te Deum (1833) scoorde hij zijn eerste successen. In 1833 trad hij voor de eerste maal in Berlijn in een concert als componist, zanger en pianist op.
In 1833 ging hij als organist van de Pruisische ambassadeur Karl von Bunsen naar Rome en werd organist aan een kapel van de Pruisische ambassade. Hij benutte deze gelegenheid voor verdere studies bij Giuseppe Baini, een groot specialist in de Palestrina-stijl. Bovendien was hij zeer geïnteresseerd in Italiaanse opera's en hun belcanto. Twee jaar later nam hij ontslag, om zijn plannen voor de opera te realiseren.
In 1837 werd Nicolai als kapelmeester aan het koninklijke hofoperatheater aan het Kärtnertor in Wenen aangesteld. Al de eerste door hem geleide uitvoering van Guillaume Tell (in het Duits: Wilhelm Tell) van Gioacchino Rossini was een succes. Toch werd zijn contract na een jaar niet verlengd en hij verliet Wenen richting Italië.
In Turijn kreeg Nicolai een aanstelling als kapelmeester aan het koninklijke operahuis. Ook al oogstte hij met zijn eerste opera Enrico II in 1839 in Triëst geen succes, het publiek en de vakwereld waren enthousiast over de uitvoering van Il Templario in 1840 in Turijn.
In 1841 werd Nicolai door het Kärntnertortheater teruggeroepen, om zijn opera Il Templario te ensceneren. De uitvoeringen waren zo'n succes, dat hij een contract voor drie jaar als eerste kapelmeester met de verplichting tot het componeren van een Duitstalige opera. Op advies van zijn vriend Siegfried Kapper nam hij «The merry wives of Windsor» van William Shakespeare als basis en gaf Salomon Hermann Mosenthal de opdracht een Duitstalig libretto te schrijven. Daaruit kwam dan Die lustigen Weiber von Windsor voort.
In 1843 riep Nicolai de Philharmonische Konzerte in het leven, die zich tot een vaste inrichting in het Weense muziekleven ontwikkelden en stichtte daarmee zo goed als de Wiener Philharmoniker. Een jaar later werd hij met het Ridderkruis van de Rode Adelaarsorde onderscheiden.
De universiteit van zijn geboortestad Koningsbergen nodigde Nicolai uit voor de jubileumfeestelijkheden bij haar derde eeuwfeest. Daarvoor werd in 1844 zijn Kirchliche Festouvertüre über den Choral "Eine feste Burg ist unser Gott", op. 31 uitgevoerd. Op weg naar Koningsbergen kreeg hij een persoonlijke audiëntie bij de koning Frederik Willem IV van Pruisen in Berlijn. De koning deed hem enkele maanden later het aanbod opvolger van Felix Mendelssohn Bartholdy als kapelmeester aan de Berlijnse Dom te worden. Dit wees Nicolai eerst af.
Na problemen met de huurder van het theater in Wenen Balochino, die de opera Die lustigen Weiber von Windsor niet in het programma opnemen wou, vertrok Nicolai naar Berlijn en werd in 1847 kapelmeester aan het koninklijk theater. Daar kon hij twee jaren later de opera uitvoeren, die zijn enige Duitstalige opera zou blijven. Daarnaast werd hij ook artistiek directeur van het domkoor.
Toen Nicolai op 38-jarige leeftijd in Berlijn overleed, had hij de première van zijn opera Die lustigen Weiber von Windsor slechts twee maanden tevoren nog zelf beleefd. Deze opera is met afstand het bekendste stuk en een van de mooiste opéra comiques van de vroege romantiek. Maar dat hij op de dag van zijn overlijden in de Akademie der Künste verkozen werd, was niet alleen het gevolg van het succes van de opera, maar vooral het gevolg van zijn carrière als dirigent.