Аrias
Duo's...
Opera's
Cantates
Componisten
Switch to English

Aria: Nun eilt herbei

Componist: Nicolai Otto

Opera: The Merry Wives of Windsor

Rol: Fluth (Sopraan)

Download gratis partituren: "Nun eilt herbei" PDF

Nun eilt herbei, Witz, heitre Laune,
Die tollsten Schwänke, List und Übermut!
Nichts sei zu arg, wenn's dazu diene,
Die Männer ohn' Erbarmen zu bestrafen!
Das ist ein Volk! - So schlecht sind sie,
Dass man sie gar genug nicht quälen kann!
Vor allem jener dicke Schlemmer,
Der uns verführen will! - Hahahaha!
Er soll es büssen!
Doch wenn er kommt - wie werd ich mich benehmen müssen ?
Was werd ich sagen…? halt! Ich weiss es schon!
Zornig
Verführer! Warum stellt Ihr so
Der tugendsamen Gattin nach?
Warum? Verführer!
Den Frevel sollt' ich nie verzeihn,
Nein, nie!
Mein Zorn müsst' Eure Strafe sein.
jedoch - des Weibes Herz ist schwach!
Ihr klagt so rührend Eure Pein -
Ihr seufzt - mein Herz wird weich.
Nicht länger kann ich grausam sein,
Und ich gesteh es - schamrot - Euch ein:
Mein Ritter, ach! Ich liebe Euch!
Sie lacht
Hahahahal - Er wird mir glauben!
Verstellen kann ich mich fürwahr;
Ein kühnes Wagstück ist es zwar,
Allein den Spass kann man sich schon erlauben.
Frohsinn und Laune
Würzen das Leben,
Und zu vergeben
Ist wohl ein Scherz.
So zum Vergnügen
Darf man schon lügen,
Bleibt nur voll Liebe,
Voll Treue das Herz.
Drum voll Vertrauen
Wag ich die Tat:
Listige Frauen,
Die wissen sich Rat!

Wohl denn! gefasst ist der Entschluss. Anna. The Merry Wives of Windsor. NicolaiPensa ad amare, che dal tuo cor amor si chiede. Gismonda. Ottone. HändelNon la sospiri la nostra casetta. Tosca. Tosca. PucciniPadre, germani, addio. Ilia. Idomeneo. MozartDopo il nembo e la procella. Timante. Floridante. HändelBel piacere e godere. Almirena. Rinaldo. HändelEra desso il figlio mio. Lucrezia Borgia. Lucrezia Borgia. DonizettiÔ toi qui, prolongeas mes jours. Iphigénie. Iphigénie en Tauride. GluckVieni, torna, idol mio. Agilea. Teseo. HändelLa voilà, la Flamande. Briscotte. Geneviève de Brabant. Offenbach
Wikipedia
Carl Otto Ehrenfried Nicolai (Koningsbergen, thans Kaliningrad, 9 juni 1810 – Berlijn, 11 mei 1849) was een Duits componist, dirigent, organist, pianist en zanger.
De eerste muzieklessen kreeg Nicolai van zijn strenge vader, de muziekdirecteur Carl Ernst Daniel Nicolai. Zijn vader was zo streng, dat hij op 16-jarige leeftijd voor hem uit zijn geboortestad vluchtte. In 1827 ging hij naar Berlijn en werd leerling van Carl Friedrich Zelter. Die erkende zijn talent en kon een studiebeurs voor hem krijgen, waarmee Nicolai aan het Koninklijke instituut voor kerkmuziek bij Bernhard Klein van 1827 tot 1830 kon studeren. Daarnaast kreeg Nicolai zanglessen bij G. Emil Fischer aan het gymnasium "Zum grauen Kloster".
In 1830 werd Nicolai lid van de Berlijnse zangacademie. Hij had een aandeel in de herontdekking en -beleving van de muziek van Johann Sebastian Bach: in een uitvoering op 27 juni 1831 zong hij in de Matthäus Passie de Christus-partij. In hetzelfde jaar werd hij ook lid van de Jüngere Liedertafel en van de Liederverein 1829. Later in het jaar werd hij als buitengewoon lid van de Ältere Liedertafel opgenomen.
In het begin van de jaren 1830 werd Nicolai voor het eerst met eigen werk bekend. De uitvoeringen van zijn Sinfonie in c-klein (1831), de voor de inwijding van de kathedraal in Posen, nu: Poznań, geschreven Mis in D-groot (1832) en het Te Deum (1833) scoorde hij zijn eerste successen. In 1833 trad hij voor de eerste maal in Berlijn in een concert als componist, zanger en pianist op.
In 1833 ging hij als organist van de Pruisische ambassadeur Karl von Bunsen naar Rome en werd organist aan een kapel van de Pruisische ambassade. Hij benutte deze gelegenheid voor verdere studies bij Giuseppe Baini, een groot specialist in de Palestrina-stijl. Bovendien was hij zeer geïnteresseerd in Italiaanse opera's en hun belcanto. Twee jaar later nam hij ontslag, om zijn plannen voor de opera te realiseren.
In 1837 werd Nicolai als kapelmeester aan het koninklijke hofoperatheater aan het Kärtnertor in Wenen aangesteld. Al de eerste door hem geleide uitvoering van Guillaume Tell (in het Duits: Wilhelm Tell) van Gioacchino Rossini was een succes. Toch werd zijn contract na een jaar niet verlengd en hij verliet Wenen richting Italië.
In Turijn kreeg Nicolai een aanstelling als kapelmeester aan het koninklijke operahuis. Ook al oogstte hij met zijn eerste opera Enrico II in 1839 in Triëst geen succes, het publiek en de vakwereld waren enthousiast over de uitvoering van Il Templario in 1840 in Turijn.
In 1841 werd Nicolai door het Kärntnertortheater teruggeroepen, om zijn opera Il Templario te ensceneren. De uitvoeringen waren zo'n succes, dat hij een contract voor drie jaar als eerste kapelmeester met de verplichting tot het componeren van een Duitstalige opera. Op advies van zijn vriend Siegfried Kapper nam hij «The merry wives of Windsor» van William Shakespeare als basis en gaf Salomon Hermann Mosenthal de opdracht een Duitstalig libretto te schrijven. Daaruit kwam dan Die lustigen Weiber von Windsor voort.
In 1843 riep Nicolai de Philharmonische Konzerte in het leven, die zich tot een vaste inrichting in het Weense muziekleven ontwikkelden en stichtte daarmee zo goed als de Wiener Philharmoniker. Een jaar later werd hij met het Ridderkruis van de Rode Adelaarsorde onderscheiden.
De universiteit van zijn geboortestad Koningsbergen nodigde Nicolai uit voor de jubileumfeestelijkheden bij haar derde eeuwfeest. Daarvoor werd in 1844 zijn Kirchliche Festouvertüre über den Choral "Eine feste Burg ist unser Gott", op. 31 uitgevoerd. Op weg naar Koningsbergen kreeg hij een persoonlijke audiëntie bij de koning Frederik Willem IV van Pruisen in Berlijn. De koning deed hem enkele maanden later het aanbod opvolger van Felix Mendelssohn Bartholdy als kapelmeester aan de Berlijnse Dom te worden. Dit wees Nicolai eerst af.
Na problemen met de huurder van het theater in Wenen Balochino, die de opera Die lustigen Weiber von Windsor niet in het programma opnemen wou, vertrok Nicolai naar Berlijn en werd in 1847 kapelmeester aan het koninklijk theater. Daar kon hij twee jaren later de opera uitvoeren, die zijn enige Duitstalige opera zou blijven. Daarnaast werd hij ook artistiek directeur van het domkoor.
Toen Nicolai op 38-jarige leeftijd in Berlijn overleed, had hij de première van zijn opera Die lustigen Weiber von Windsor slechts twee maanden tevoren nog zelf beleefd. Deze opera is met afstand het bekendste stuk en een van de mooiste opéra comiques van de vroege romantiek. Maar dat hij op de dag van zijn overlijden in de Akademie der Künste verkozen werd, was niet alleen het gevolg van het succes van de opera, maar vooral het gevolg van zijn carrière als dirigent.