Аrias
Duo's...
Opera's
Cantates
Componisten
Switch to English

Aria: Il était une fois à la cour d'Eisenach

Componist: Offenbach Jacques

Opera: Les contes d'Hoffmann

Rol: Hoffmann (Tenor)

Download gratis partituren: "Il était une fois à la cour d'Eisenach" PDF
Il était une fois à  la cour d'Eisenach!
Un petit avorton qui se nommait Kleinzach!
Il était coiffé d'un colbac
Et ses jambes faisaient clic clac!
Voilà  Kleinzach!
Il avait une bosse en guise d'estomac;
Ses pieds ramifiés semblaient sortir d'un sac;
Son nez était noir de tabac
et sa tête faisait cric crac!
Voilà  Kleinzach!
Quant aux traits de sa figure...
Ah! sa figure était charmante!
Je la vois, belle, belle comme le jour

Où courant après elle
Je quittai comme un fou la maison paternelle
Et m'enfui à  travers les vallons et les bois!
Ses cheveux en torsades sombres
Sur son vol élégant jetaient leurs chaudes
ombres,
Ses yeux enveloppés d'azur
Promenaient autour d'elle un regard
frais et pur
Et comme notre char emportait sans secousse

Nos coeurs et nos amours sa voix vibrante
et douce
Aux cieux qui l'écoutaient jetait ce chant
vainqueur
Dont l'éternel écho résonne dans mon coeur!

Kleinzach? Je parle d'elle.
Non! personne! rien!
Mon esprit se troublait! rien!
Et Kleinzach vaut mieux,
tout difforme qu'il est!
Quand il avait trop bu de genièvre ou de rack
Il fallait voir flotter les deux pans
de son frac,
Comme des herbes dans un lac,
et le monstre faisait flic flac!
Voilà  Kleinzach!
Vénus au fond de notre âme. Oreste. La belle Hélène. OffenbachÔ ma ma maman. Le Jeune Arthur. Geneviève de Brabant. OffenbachSalut, chanmière, toit solitaire. Robinson Crusoé. Robinson Crusoé. OffenbachJe viens de la Tur. Sifroid. Geneviève de Brabant. OffenbachAllons! Courage et confiance...Ah! vivre deux!. Hoffmann. Les contes d'Hoffmann. OffenbachEt tout d'abord, ô vile multitude. Pâris. La belle Hélène. OffenbachEn très bon ordre nous partimes. Fritz. La Grande-Duchesse de Gérolstein. OffenbachAh! de mon coeur un trouble s'empare. Sifroid. Geneviève de Brabant. OffenbachNous savons tous qu'à la naissance. Narcisse. Geneviève de Brabant. OffenbachMes aïeux, hommes de guerre. Marquis de Pont-Sablé. Madame Favart. Offenbach
Wikipedia
Les contes d'Hoffmann (in het Nederlands: Hoffmanns vertellingen) is een opera van Jacques Offenbach. Het libretto is van Jules Barbier. De première vond plaats op 10 februari 1881 te Parijs, in de Opéra-Comique.
Het libretto volgt het toneelstuk, dat Jules Barbier en Michel Carré in 1851 schreven op basis van drie korte verhalen van E.T.A. Hoffmann, een vruchtbaar Duits schrijver en componist uit de Romantiek. Hoffmann wordt geportretteerd als deelnemer in drie van zijn eigen verhalen: Der Sandmann, Rat Krespel, en Die Geschichte vom verlornen Spiegelbilde. Zijn zedelijk en geestelijk verval wordt zichtbaar in het verhaal van drie elkaar opvolgende liefdesgeschiedenissen: lichtzinnig gedweep met een zingende mechanische pop Olympia, echte maar gedwarsboomde liefde met de zangeres Antonia, passief getalm met de courtisane Giulietta. Deze geschiedenissen vormen drie van de vijf bedrijven. In proloog en epiloog wordt Hoffmann getoond als verteller van deze verhalen, terwijl hij wacht op de prima donna Stella, die uiteindelijk een combinatie is van zijn drie eerdere liefdes. En tegelijk wordt zijn voortdurende metgezellin Nicklausse onthuld als zijn muze van de poëzie. Zijn rivaal en vijand Lindorf (die net als Stella in alle bedrijven in een andere gedaante voor komt) verlaat de taverne met Stella aan zijn arm, terwijl Hoffmann vlucht in dronkenschap.
Na alle weinig beklijvende opéras bouffes was deze opera voor Offenbach de laatste kans om erkenning als serieus componist te krijgen; hij heeft daar de laatste jaren van zijn leven veel energie in gestoken. De opzet werd al tijdens het componeren fundamenteel gewijzigd: aanvankelijk geschreven voor het Theâtre Gaîté-Lyrique (met bariton Hoffmann en lyrische sopraanrollen), moest deze opera herschreven worden voor de Opéra-Comique (met een tenor Hoffmann en één coloratuursopraan voor de vier vrouwenrollen).
Offenbach heeft de opvoering van zijn opera niet mogen beleven, daar hij ruim 4 maanden daarvoor overleed (op 5 oktober 1880). Vóór zijn dood waren de repetities al begonnen; Offenbach had de orkestratie vrijwel voltooid, maar deze moest voor het slot van het vierde bedrijf en de epiloog nog gedetailleerd worden uitgewerkt. Na de dood van Offenbach bleef het tegenzitten en waren er wijzigingen noodzakelijk:
De versie op de dag van de operapremière was die van Ernest Guiraud; hij completeerde de partituur en schreef de recitatieven.
Internationaal kwam de uiteindelijke roem maar langzaam op gang. Mogelijk is er origineel materiaal verloren gegaan bij de brand in Salle Favart in 1887. De enorme brand in het Weense Ringtheater in 1881 – waar de tweede uitvoering van Les Contes zou beginnen - gaf deze opera een faam van pech, die een snelle internationale verspreiding in de weg stond.
De echte internationale zegetocht begon na een spectaculaire productie in Berlijn in 1905. Er waren toen (net als in Monte Carlo (1904)) in het Giulietta-bedrijf twee passages toegevoegd op muziek van André Bloch en met tekst van Pierre Barbier (zoon van de oorspronkelijke schrijver):
Andere veranderingen waren al veel eerder ingevoerd:
Choudens (1907) voegde daar zijn ideeën nog aan toe:
In deze vorm werd de opera een groot succes, door het spectaculaire toneelbeeld en individuele nummers als: legende van Kleinzach (ballade); Olympia’s lied; en vooral de Barcarolle. Vaak werden de rollen verdeeld over verschillende sopranen: het werd als een uitgelezen kans gezien om meerdere diva's na elkaar op het toneel te laten verschijnen. Maar door in drie bedrijven elke solist een andere rol te laten spelen bereikt men juist de kern, die de dramatische eenheid aan dit stuk geeft.
Sinds de Tweede Wereldoorlog is er een tendens om de muziek te ontdoen van de toevoegingen. Bij de gerestaureerde versies gaat het om:
Nieuwe authentieke versies zijn van Antonio Almeida, Jean-Christophe Keck en van Michael Kaye. De Choudens-versie met toevoegingen van Fritz Oeser blijft evenwel gebruikelijk.
Uitvoeringen die de sopraanrollen niet verdelen, zijn zeer zwaar voor de sopraan: Olympia vergt een coloratuurzangeres met stratosferische hoogte, Antonia is geschreven voor een lyrisch stemtype, en Giulietta wordt gewoonlijk uitgevoerd door een dramatische sopraan of zelfs een mezzosopraan. Sopranen die op hoog niveau al deze vier rollen (de kleinere rol van Stella inbegrepen) op zich namen zijn: Beverly Sills, Dame Joan Sutherland, Edita Gruberová, Catherine Malfitano, Ruth Ann Swenson en Vina Bovy (die dat als eerste deed). Voor het dramatische aspect is dat van belang aangezien zowel Olympia, Antonia als Giulietta facetten zijn van een en dezelfde persoon: Stella, de onbereikbare liefde van Hoffmann.
Ook het door één bariton laten uitvoeren van de vier schurkenrollen is dramatisch van belang: alle vier zijn ze manifestaties van het Kwaad.
10 februari 1881
De taveerne van Luther dicht bij de opera van Neurenberg
Het kabinet van de fysicus Spalanzani
Entr’acte. Een kamer in het huis van de vioolmaker Crespel. Muziekinstrumenten aan de muur. Antonia aan de piano met een portret van haar overleden moeder aan de muur.
Een paleis met uitzicht over het Grand Canal in Venetië
De taverne van Luther in Neurenberg.
Ba-ta-clan (1855) · Les deux aveugles (1855) · La bonne d'enfant (1856) · Le mariage aux lanternes (1857) · Orphée aux Enfers (1858) · Geneviève de Brabant (1859) · Daphnis et Chloé (1860) · M. Choufleuri restera chez lui le ... (1861) · Le pont des soupirs (1861) · La belle Hélène (1864) · Barbe-bleue (1866) · La vie parisienne (1866) · La Grande-Duchesse de Gérolstein (1867) · Robinson Crusoé (1867) · L'île de Tulipatan (1868) · La Périchole (1868) · Les brigands (1869) · Bagatelle (1874) · Le voyage dans la lune (1875) · Madame Favart (1878) · La fille du tambour-major (1879) · Les contes d'Hoffmann (1880—onvoltooid)