Аrias
Duo's...
Opera's
Cantates
Componisten
Switch to English

Aria: Le violonneux du village c'est encor

Componist: Offenbach Jacques

Opera: Le violoneux

Rol: Père Mathieu (Bariton)

Download gratis partituren: "Le violonneux du village c'est encor" PDF
Quand du four on le retire. Charles-Simon Favart. Madame Favart. OffenbachC'est un métier difficile. Comte Oscar. Barbe-bleue. OffenbachSi tu savais combine je t'aime. Golo. Geneviève de Brabant. OffenbachJ'apporte les volontés. Popolani. Barbe-bleue. OffenbachDans une cave obscure. Charles-Simon Favart. Madame Favart. OffenbachScintille, diamant. Dapertutto. Les contes d'Hoffmann. OffenbachJe t'apporte la délivrance. Père Mathieu. Le violoneux. OffenbachNous étions à Novare. Robert. La fille du tambour-major. OffenbachA tous les métiers, moi, j'excelle. Vertigo. Pépito. OffenbachPiff, paff, pouff. General Boum. La Grande-Duchesse de Gérolstein. Offenbach
Wikipedia
Jacques Offenbach, geboren als Jakob Offenbach, (Keulen, 20 juni 1819 — Parijs, 5 oktober 1880) was een Franse componist en cellist van Duits-Joodse afkomst. Hij geldt als een van de scheppers van de operette (een Duitse term die hijzelf nooit gebruikte). Maar hij heeft ook een opera geschreven, die nog steeds repertoire houdt: Les contes d'Hoffmann. Het werd zijn zwanenzang, die bij zijn overlijden nog onvoltooid was.
Jakob Offenbach was de op een na oudste zoon van de joodse kantor Isaac Juda Offenbach. Zijn vader had de familienaam Eberst laten veranderen in Offenbach (hij kwam uit Offenbach am Main). Hij leerde eerst viool en later cello te spelen; met zijn zus Isabella (piano) en broer Julius (viool) vormde hij een trio dat optrad in logementen. In 1833 liet zijn vader hem met zijn broer Julius naar Parijs gaan. Hoe jong hij toen ook was, hij werd toegelaten tot het vak violoncello aan het Parijse Conservatoire national supérieur de musique, maar in 1834 staakte hij (wellicht uit geldgebrek) de studie. Na allerlei baantjes (met zijn broer trad hij op als het duo Jacques en Jules) werd hij cellist bij verschillende van de boulevardtheaters in Parijs en uiteindelijk de Opéra-Comique. Via Friedrich von Flotow, met wie hij samen stukken componeerde en uitvoerde, kreeg hij toegang tot de Parijse salons. Hij bouwde een naam op als virtuoos cellist en trad in de jaren veertig op met pianisten als Anton Rubinstein en Franz Liszt in Parijs en Keulen. In 1844 bekeerde hij zich tot het katholicisme en huwde hij met Herminie d'Alcain, met wie hij vier dochters zou krijgen. In Londen trad hij in 1844 samen met Joseph Joachim en Felix Mendelssohn Bartholdy op als pianotrio. Tijdens de Februarirevolutie (1848) in Frankrijk week hij kortstondig uit naar Duitsland. Hij luisterde er de 600e verjaardag van de kathedraal van Keulen op.
In 1849 werd hij kapelmeester aan het Théâtre français, waar hij de muziek schreef en verzorgde bij de uitgevoerde toneelstukken. Zijn venijnige teksten en muziek vielen niet altijd even goed. Het tij keerde tijdens de Wereldtentoonstelling van 1855, toen hij (in navolging van de Folies-Nouvelles van Hervé) een theater opende onder de naam Bouffes Parisiens aan de Champs-Élysées. Na enkele omzwervingen kwam hij terecht in het grotere (en misschien belangrijker: beter te verwarmen) theater Salle Choiseul met 900 zitplaatsen. Dit was het begin van een succesvolle operettecarrière. Aanvankelijk had hij slechts toestemming voor korte een-akters met twee of drie (solistische) rollen. In 1858 werden evenwel de restricties verruimd, waarna hij zijn eerste avondvullende werk schreef: Orphée aux enfers. Met zijn “musiquettes” parodieerde Offenbach op hilarische wijze en vol politieke toespelingen de bombast van de Grand-Opera van Giacomo Meyerbeer. Hij had veel succes met zijn theater maar moest desondanks soms wegens schuldeisers uitwijken naar het buitenland. Een drie-akter (“Barkouf”) in de Opera Comique resulteerde ook niet in meer respect in die kringen. Op een door hem in 1856 uitgeschreven prijsvraag reageerden veel jonge componisten; de eerste prijs ging naar Georges Bizet en Charles Lecocq.
In 1860 naturaliseerde hij tot Fransman en in 1861 kreeg hij het Légion d’honneur. In 1862 nam hij ontslag bij de “Bouffes”; hij bleef desondanks met name voor dat theater componeren. Hij beleefde in Parijs het hoogtepunt van zijn succes met La belle Hélène (1864), en zijn operettes werden in Londen en Wenen uitgevoerd. La vie parisienne (1866), La Grande-Duchesse de Gérolstein (1867), La Périchole (1868) en Les Brigands (1869) behoren tot de bekendste.
De Frans-Duitse Oorlog (1870) markeerde een omslag. Offenbach was erg gehecht aan zijn nieuwe vaderland Frankrijk. In de Duitse pers gold hij als een verrader, terwijl de Franse pers in hem juist een agent van Bismarck zag. Hij moest zijn familie in veiligheid brengen in Spanje. Terug in Parijs bleken zijn operettes niet langer in de smaak te vallen. Zijn specialiteit "van het koningschap een farce en van het leger een grap maken", dat was wat Napoleon III ondermijnd had, en daarmee had – in het publieke gevoelen – Offenbach meegeholpen bij de val van diens regering. Dat het kan verkeren bleek overigens enkele jaren later, toen hij door de politie werd lastiggevallen juist omdat hij te trouw zou zijn geweest aan de keizer. 1875 was het dieptepunt. Offenbach ging bankroet. In 1876 maakte hij, om zijn grote verliezen wat te compenseren, een zeer succesvolle tour naar de Verenigde Staten ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling bij het honderdjarig bestaan van de Verenigde Staten: veertig concerten en ook uitvoeringen van twee van zijn operettes. Successen die ook in Parijs zich nog even voortzetten.
Vanaf 1877 was hij voornamelijk bezig met zijn opera Les contes d'Hoffmann. Het jaar 1880 bracht hij werkend aan de partituur door in het Pavillion Henri IV in St Germain-en-Laye. In september van dat jaar moest hij wegens verslechtering van zijn gezondheid terug naar Parijs. Er werd al gerepeteerd, maar op 5 oktober 1880 overleed hij. Onvoltooide partituren zijn op verzoek van de familie voltooid door Léo Delibes (Belle Lurette) en Ernest Guiraud (Les contes d'Hoffmann). Hij werd begraven op Montmartre.
Zijn "operettes" lijken nauwelijks op de operette zoals men die in Duitsland kent van bijvoorbeeld Franz Lehár of Johann Strauss jr.. Men kan deze stukken (zoals Karl Kraus deed) "Offenbachiaden" noemen: deze vorm is specifiek voor Offenbach. Het gaat bij Offenbach steeds om vlotte, goed in het gehoor liggende muziek met een handeling die veelal op satire berust, vol toespelingen op zeden, gewoonten en personen uit het Tweede Keizerrijk onder Napoleon III. Onnavolgbaar zijn zijn karikaturen van militairen en Duitsers.
Deze vorm van operette was alleen mogelijk omdat de napoleontische regering van het Tweede Keizerrijk deze duldde. De regering die bij Offenbach de stoutmoedigste sociale satire duldde, sleepte Baudelaire en Flaubert voor het gerecht. Maar in deze periode tussen de Parijse Wereldtentoonstellingen van 1855 en 1867 zat de zaal vol met publiek dat hoe dan ook loyaal aan de regering was.
Hij werkte in zijn succesvolste producties samen met Meilhac en Halévy als librettist. Hortense Schneider werd in 1855 door Offenbach als jonge sopraan ontdekt, en had steeds de hoofdrol.
Toch staat voorop het enorme gevoel voor theater en voor wat in de lucht hing en het gemak waarmee hij toespelingen maakte op de actualiteit. Gebruikte stijleffecten waren meestal niet al te subtiel. Satire ontstond vaak door bij teksten een qua sfeer volstrekt andersoortige muziek te kiezen, persiflage op bekende opera-aria's, rollen voor dieren (Barkouf), op muziek zetten van brabbeltaal (Ba-ta-clan). Een voorbeeld van absurde ongepastheid is de cancan in La belle Hélène die hij door de goden op de Olympus laat dansen; de term "la vile séducteur" (de gemene verleider) krijgt een uiterst verheven walsmelodie; de volkomen banale tekst "l'homme à la pomme" vormt de tekstuele basis voor een uitvoerig opera-ensemble.
Door zijn collegae werd hij wisselend beoordeeld. Men vond het Franse theater wel erg ondeugend en oppervlakkig. Wagner (die door Offenbach op de hak genomen was in "Le carnaval des revues") kende Offenbach de "warmte van een mesthoop" toe, alhoewel hij dat later dat toch wat nuanceerde. Uiteindelijk is het toch vooral de opera Les contes d'Hoffmann die repertoire heeft gehouden en zelfs een van de populairste Franse opera's is.
Zijn bekendste zelfstandig uitgevoerde nummers zijn de cancan uit de Orphée aux enfers en de Barcarolle uit Les contes d'Hoffmann.
Onderstaande lijst van 100 bekende composities voor theater is afkomstig van het lemma Offenbach, Jacques door Andrew Lamb, in 'The New Grove Dictionary of Opera', ed. Stanley Sadie (London, 1992) ISBN 0-333-73432-7. Er zijn verschillen in telling mogelijk doordat er vaak verschillende versies van een werk - soms onder verschillende titels - bestaan. Ook is niet altijd duidelijk of een werk door Offenbach is gecomponeerd, gedeeltelijk gecomponeerd of alleen op het toneel gebracht.